Een tijdje geleden kregen alle V6-klassen bezoek van Nyk de Vries, schrijver van boeken en prozagedichten in het Nederlands en Fries, en Het Hermannetje heeft hem weten te strikken voor een artikel! Op het moment zijn veel examenklassen met hun literatuurmondeling bezig en of je nu heel relaxed of juist een stresskip bent voor je mondeling, het is voor iedereen wel even een dingetje in het laatste jaar van de middelbare school. Nyk de Vries vertelt zijn ervaringen met het lezen voor de lijst én heeft een bijpassend fragment uit zijn boek ‘Renger’ voor ons.

Eind oktober gaf ik vier gastlessen in VWO 6 van jullie school. Het Hermann Wesselink College deed me erg denken aan mijn eigen middelbare school in Friesland. Hetzelfde type gebouw en ook erg veel fietsen voor de ramen. Elke ochtend fietste ik twaalf kilometer vanuit m’n dorp naar school. Als het regende en stormde vervloekte ik de lange tocht.

In de eerste drie klassen was ik redelijk ijverig. Daarna gooide ik er vaker met de pet naar. Regelmatig begon ik te laat met de opdrachten. Ook het lezen voor de lijst was meerdere keren een haastklus. Hieronder vind je een fragment uit mijn roman ‘Renger’ waarin de leeslijst voorkomt. Het stuk is behoorlijk autobiografisch en speelt in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Mijn vader speelt er een belangrijke rol in. Hij was nogal opvliegend. Hij was ook nogal ouderwets en zuinig. Hij wilde niet vernieuwen. We hadden thuis bijvoorbeeld geen warm water en ook geen douche. Ik schaamde me ervoor. Toen een docent eens vroeg hoelang we per dag douchten, verschool ik me achter een medeleerling, om maar niet over de situatie thuis te hoeven praten.

In het fragment probeert de hoofdpersoon te beginnen met een boek voor z’n Engelse lijst. Het lukt matig, hij kijkt liever televisie. Zo was het ook in het echt. Ik schoof het lezen maar voor me uit, tot ik uiteindelijk het boek pakte en begon. Ik las 1984, over Big Brother, over een sinistere maatschappij waar overal camera’s hingen om je in de gaten te houden. Al na een paar pagina’s had het boek me in z’n greep. Het zei kennelijk iets over mezelf.

Ik weet niet meer welk cijfer ik uiteindelijk voor het tentamen kreeg. Het was niet zo hoog, geloof ik, terwijl ik het boek juist erg goed vond. In mijn enthousiasme struikelde ik over mijn woorden en maakte een zootje van het mondeling. Misschien ben ik daarom zelf gaan schrijven, om tijd te hebben om iets duidelijk te zeggen. Later hoorde ik dat een jongen, die alleen een samenvatting van het boek had gelezen, zelfs een hoger cijfer had dan ik. Hij grijnsde toen ik hem ernaar vroeg. Zijn naam was Marco of Martin, iets in die geest. Ik weet niet wat er van hem is geworden. Ik heb hem nooit weer gesproken. Alweer jaren geleden hoorde ik een vage roddel, dat hij werkte in een steengroeve ergens in Duitsland.

Van fragmenten uit ‘Renger’ heb ik een hoorspel gemaakt. Het is hier te beluisteren: http://www.woord.nl/lees/Renger.html

Op Youtube staat nog een fragment dat ik heb voorgedragen op het Wintertuinfestival: https://www.youtube.com/watch?v=N5jGcA84Gv8

 

Fragment uit ‘Renger’

Nyk de Vries

Als ik thuiskom van school pak ik de roman 1984 van George Orwell van mijn bureau. Voor het vak Engels moeten we de komende tijd een hele stapel boeken lezen. Ik begin aan het eerste hoofdstuk, maar mijn gedachten dwalen af. Sinds afgelopen weekend woon ik als enig kind nog thuis – mijn jongste zus is naar de nieuwbouw verhuisd. Wanneer ik eraan denk, schiet er een rilling door me heen.

     Afgelopen zomer heeft de situatie in huis een dieptepunt bereikt. Na de verhuizing van mijn broer probeerde mijn moeder de verbouwing van het huis weer op de agenda te krijgen. Die was na mijn geboorte gestopt. Als een van de weinige gezinnen in het dorp hadden we geen douche en ook geen warm water. Ook was er niks aan de oude keuken gedaan. Het oude aanrecht van mijn grootmoeder was veel te laag voor mijn moeder die last van haar rug kreeg door het vele bukken.

     Volgens mijn moeder was mijn vader sowieso veel te laat met de verbouwing van ons huis begonnen. Terwijl mijn oom Matheüs een bungalow bouwde, was hij rondom in de buurt aan het beunen. Uiteraard was mijn vader niet de enige. Elke bouwvakker met een beetje spirit ging ’s avonds klussen in de buurt. Maar hij was wel erg fanatiek. ‘Eerst heeft hij de hele omgeving verbouwd,’ zei mijn moeder. ‘Pas toen was ons eigen huis aan de beurt.’

     Na lang aandringen overtuigde ze mijn vader ervan om de zaak af te maken, te beginnen bij de keuken. In die tijd werkte hij bij een grote bouwcorporatie in Leeuwarden. Ik kon zien dat hij het er zwaar had. De jaren dat hij zich drie slagen in de rondte beunde lagen achter hem. Hij had last van zijn rug en wanneer hij aan het eind van de dag thuiskwam, plofte hij neer in zijn stoel. ‘Arbeid is te duur geworden,’ verzuchtte hij. ‘Vroeger was er tijd voor het draaien van een sigaret, we konden een praatje maken. Nu racen we van klus naar klus om maar te kunnen concurreren.’

     Ik vermoed dat hij snakte naar vakantie, maar wegens de verbouwing maakten we alleen dagtochtjes. Begin juli begon hij met het uithakken van het aanrecht. Terwijl ik hem in wolken van stof op het graniet in zag slaan, moest ik denken aan een van zijn motto’s: ‘Ha ha! Wat er ook gebeurt, we moeten wel op vakantie!’ Ik keek naar zijn gezicht en eerlijk gezegd maakte het me bang. Vermoedelijk was ik niet de enige. Naast ons was een jonge buurman komen wonen met wie mijn vader aanvankelijk goed kon opschieten. Ze kletsten vaak bij de heg, maar plotseling hadden ze ruzie gekregen, hoewel ik geen idee had waarover.

     Nadat we een dagje eropuit waren geweest, stond er opeens een schutting op twee meter afstand van onze schuur, vlak voor de gebogen gietijzeren ramen. Die namiddag barstte in ons huis de bom. Mijn vader was in alle staten. Hij kon niet stoppen met vloeken, ook de volgende dag niet, maar kraniger dan anders weigerde mijn moeder om zijn doemscenario’s te onderschrijven. ‘Ik heb van mijn vader geleerd,’ zei ze, ‘om kwaadwillende mensen niet te veel aandacht te schenken. Elk mens heeft zijn eigen motieven.’

Met betraande ogen verschool ik me in de grote stoel. Er kwam geen eind aan de opzwepende discussies. Nog nooit had ik mijn vader zo kwaad gezien. Mijn moeder huilde net als ik. Ze pleitte voor haar standpunt, maar er was geen beginnen aan. Mijn vader bleef maar schreeuwen en zwaaien met zijn vinger. Vanuit het niks stond hij op en ineens vreesde ik dat de situatie uit de hand zou lopen. Mijn moeder vluchtte naar de keuken en in een flits was ze terug met de oranje hapjespan die ze dreigend omhoog hield.

     Mijn vader verdween naar de schuur. Even later kwam hij terug om te vragen of ik hem wilde helpen. Met gebogen hoofd volgde ik hem en lange tijd stond ik met betraand gezicht het nieuwe keukenraamkozijn te schuren. Terug in huis besprak ik met mijn moeder de noodsituatie, als twee volwassenen. ‘Volgens mij,’ zei ik ernstig, ‘zijn we op een beslissend punt aanbeland.’

     Het leek me een uitgemaakte zaak dat mijn ouders uit elkaar zouden gaan, maar mijn moeder keek me verbaasd aan. ‘Wat moet ik dan?’ vroeg ze. ‘Moet ik in de nieuwbouw gaan wonen?’

     Ze kende mijn vader beter dan ik. In de namiddag liep hij langs het raam. Toen hij terugkwam met de krant, schudde ze haar hoofd.

     ‘Kijk eens,’ verzuchtte ze, ‘nu loopt hij alweer te fluiten.’

Sinds die zomerdag probeer ik afstand van hem te nemen. Zijn onberekenbaarheid maakt me gek. Soms komt hij met ijsjes de tuin in. De volgende ochtend kan het opnieuw duiveldag zijn. Dan fantaseer ik over zijn verdwijning, maar ik zou niet weten hoe ik dat voor elkaar moet krijgen. Daarom verdwijn ik soms zelf maar.

     Ik leg het boek van Orwell opzij en loop naar de schuur waar ik mijn fiets te voorschijn trek. Aan de overkant van de Rijksstraatweg rijd ik het bos in, zoals ik veel vaker doe om aan de drukkende sfeer te ontsnappen. Over smalle paadjes kom ik uit bij de elektriciteitscentrale waar ik de parkeerplaats oversteek en stop voor het grote hek. Na zo’n tien minuten komt de portier uit zijn huisje. Zwijgend staar ik hem aan, recht in zijn gezicht. Wanneer hij me vraagt te vertrekken, blijf ik zwijgen en tik uitdagend met mijn fietswiel tegen het hek. De portier kijkt neutraal en loopt terug naar zijn huisje waar hij de telefoon opneemt. Nog even blijf ik staan. Dan fiets ik terug het bos in.

     Meestal rijd ik op mijn dwaaltochten naar mijn broer, maar daarvoor is het nu te laat. Via een omweg fiets ik in de richting van de Stateheide waar ik me vergaap aan twee nieuwe huizen. Ze zijn minstens even groot als het huis van oom Matheüs. Als ik tien minuten later voorbij de gele bungalow fiets, zie ik mijn jongste neef op zijn racefiets het erf op rijden. De bakstenen schitteren in de zon. Bij hen lijkt alles zoveel beter.

Thuis leest mijn vader de krant, op zijn vaste plek naast de kachel. Al voor ik de kamer binnenloop, heb ik besloten om me niet te laten kennen. ‘Ik ben koel,’ zeg ik tegen mezelf. ‘Wat er ook gebeurt, het raakt me niet zomaar.’ Jarenlang dacht ik dat mijn vader streed voor een belangrijke zaak. Sinds ik weet dat zijn kwaadheid zich richt op onbenulligheden als een schutting, vraag ik me af wat er eigenlijk al die tijd zo belangrijk was. Hij is een Don Quichot. Hij vecht tegen een spook.

     Na het eten speel ik op de tweedehands gitaar die ik heb gekocht op een rommelmarkt. Al een tijdje maak ik Engelstalige liedjes, maar dit jaar ben ik met een paar jongens van school ook een band begonnen. Ik ben de zanger en maak de teksten. Op vrijdag oefenen we in het muzieklokaal. Afgelopen week pakte een jongen uit een hogere klas mijn tekstblaadje van de versterker. ‘Je teksten zijn cryptisch,’ zei hij. ‘Ik moet puzzelen waar ze over gaan.’ Ik had hem kunnen vertellen dat zeker de helft ervan over mijn vader gaat, maar ik deed het niet, zoals ik ook mijn bandgenoten in het ongewisse heb gelaten.

     Uiteindelijk begin ik te lezen in het boek over Big Brother en hoewel ik er lang tegenaan heb gehikt, ben ik er ineens door gegrepen. Ik leef mee met de hoofdpersoon die zich continu bespied voelt. Overal in de grijze gebouwen hangen camera’s. Nergens voelt hij zich veilig. Hij is compleet in zichzelf opgesloten. Ook in zijn eigen huis is een camera geïnstalleerd. Het verlamt hem. Hij is lusteloos, tot hij op een dag een list bedenkt.

     In de hoek van zijn kamer is een nis die buiten het oog van de camera valt. Hij pakt een schrift en legt het op tafel. Hij vouwt het open en doopt zijn pen in de inkt. Lang aarzelt hij, maar dan begint hij als een razende te schrijven, vanuit het niets. Hij weet niet wat hij schrijft. Hij schrijft het eerste wat in hem opkomt, zonder na te denken over de consequenties. Al weken heeft hij hierover gedroomd. Het is een daad van verzet. Het is levensgevaarlijk – als hij wordt betrapt zal hij de doodstraf krijgen, maar het voelt weldadig.

     Minutenlang staar ik voor me uit. Het boek ligt opengeslagen voor me. Als verdoofd kijk ik mijn kamer rond en trek dan gedecideerd de onderste la van mijn bureau open. Ik pak er een stapeltje lege A4-blaadjes uit en loop naar de deur die ik behoedzaam open. Door het grote raam tussen voor- en achterkamer zie ik mijn ouders zitten. Ze kijken naar een actualiteitenprogramma. Langzaam sluit ik de deur en knip het licht uit, zodat alleen op mijn bureau nog een lampje brandt. Dan sluit ik ook het raamgordijn en schuif mijn bureau zo ver mogelijk in de hoek.

     Als ik ben gaan zitten, pak ik mijn pen. Net als de man in het boek wil ik beginnen met schrijven, maar vreemd genoeg lukt het niet. Mijn pen hangt boven het blaadje, maar ik durf niet mijn impuls te volgen. Ik weet niet hoelang ik daar zo zit. Dan schiet plotseling de punt over het papier. De ban is gebroken. Ik schrijf het eerste wat in me opkomt en anders dan in de echte wereld beheers ik me niet. Het gaat over mijn vader. Ik ga tegen hem tekeer. Ik scheld hem kapot. Het voelt sensationeel, even weldadig als in Orwells boek, tot ik de deur naar de voorkamer open hoor gaan en in wilde paniek het blaadje in een la van het bureau duw. Gelukkig is het loos alarm. Ik hoor mijn moeder de voorkamer binnenkomen. Ze opent een kastje en even later vertrekt ze weer.

‘Renger’ – Nyk de Vries

De Arbeiderspers

ISBN 9789029539050