Uit De Dikke Duim is een terugkerende rubriek in Het Hermannetje waarin de meest uiteenlopende creatieve uitspatsels worden laten zien. Van korte verhalen en zelfgetekende strips tot video’s, alles is welkom! Wil jij nou ook jouw kunst bekend maken bij een groter publiek, mail deze dan naar redactie@hethermannetje.nl. Met deze week het verhaal ‘Deserteren’, geschreven door Serafine uit vwo6. 

DESERTEREN

Mijn hoofd bonkte, mijn longen schreeuwden om lucht en mijn hart sloeg zo hard tegen mijn borst dat het voelde alsof mijn ribben zouden breken. Ik had mijn lichaam nog nooit zo hopeloos gezien, ik had het nog nooit zo hard horen schreeuwen. Het was een vorm van wanhoop, van overlevingsdrang, die ik nog nooit had meegemaakt.

Pas toen het voelde alsof ik uit elkaar zou spatten, schoot ik met mijn hoofd het water uit. Ik haalde al adem voor ik het door had, totaal overgenomen door instinct. Hijgend probeerde ik iets uit mijn omgeving op te maken, maar de bomen stonden te dicht bij elkaar en het maanlicht was te zwak. Ik zag niets dan schaduwen. De stilte vertelde me dat ik mijn achtervolgers had afgeschud. Ik was veilig, al was het maar voor even.

Het water kwam tot mijn schouders; mijn doorweekte kleren bezorgden me kippenvel over mijn hele lichaam. Het vuile water had het zweet van mijn gezicht af gespoeld. De diep donkergroene bomen boven me ruisten in de stille nacht. Ik keek op naar de maan en voelde mijn benen week worden. Ik had me nog nooit zo eenzaam gevoeld. Zo onbelangrijk. De wereld ging door, met of zonder mij. Alsof ik nooit iets had betekend.

Toen ik in de verte stemmen hoorde, wist ik dat ze terug zouden komen. Ze hadden zeker gemerkt dat ik me verscholen had.

Ik wist dat ik nog niet genoeg op adem was gekomen om me weer onder water schuil te houden, dus waadde ik naar de kant en klom uit het water. Er spetterde modder op mijn blote voeten en een vogel vloog verschrikt bij me vandaan. Het was zo donker dat ik hem niet had opgemerkt, het glanzende zwart van zijn veren opgeslokt door de duisternis eromheen. Het was zo stil dat ik het slaan van zijn vleugels kon horen. Ik sprong op en begon met rennen. De bomen wierpen schaduwen op elkaar, waardoor het moeilijk te zien was waar ik heen moest. Ik rende over omgevallen boomstronken, takken, herfstbladeren en door water. Ik voelde niet hoe mijn voeten open werden gescheurd door scherpe takken. Ik voelde niet hoe modder en water op mijn wonden spetterden, hoe takken recht in het openliggende vlees prikten. Het enige wat ik voelde was het kloppen van mijn hart, een gevoel dat me gerust stelde. Ik leefde nog.

Ik streek met mijn hand langs mijn neus, die weer was begonnen met bloeden. Het bloed plakte in kleine brokken aan mijn hand. Ik veegde het af aan mijn broek, en kreeg daardoor een pijnscheut in mijn arm. Ik had de wond moeten verbinden, maar nu was het te laat.

En toen hoorde ik het. Een schot. Ik deinsde achteruit en keek geschrokken om me heen, maar ik zag niets. Een paar vogels vlogen weg door het geluid. Met trillende vingers en een bonkend hoofd haalde ik mijn eigen pistool tevoorschijn. Ik had gehoopt het nooit te hoeven gebruiken, ik wist nog steeds niet of ik het wel zou kunnen.

Toen voelde ik ineens het metaal tegen mijn wang. Ik haalde trillerig adem en verroerde me niet. ‘Laat het pistool vallen.’ Zijn stem was nog kouder dan de wind die door mijn doorweekte kleren waaide. Ik rilde en opende losjes mijn hand. Het pistool landde zachtjes op de bladeren.

Ik durfde niet opzij te kijken, maar wist precies wie het was.

De loop van het pistool tegen mijn wang was nog warm. Hij hield zijn hoofd schuin. ‘Weet je wat wij doen met deserteurs?’, vroeg hij zachtjes. Mijn maag draaide zich om. Ik slikte en zei niets. ‘Ik vind het oprecht jammer’, begon hij toen. ‘We hadden allemaal zulke hoge verwachtingen van je. De zoon van Scaevola, dat beloofde een prachtige kerel te zijn.’ Het bleef even stil terwijl hij om zich heen keek. Hij ademde scherp in. ‘Maar goed, zo vergist iedereen zich weleens’, zei hij kortaf. ‘Nog wat laatste woorden?’ Mijn bloed kookte, mijn lichaam spande zich aan. Klaar voor een gevecht. Mijn hart bonkte luid maar het voelde nu niet hulpeloos, het voelde sterk. ‘Rustig aan’, zei hij liefjes toen hij me van houding zag veranderen. ‘Denk je niet dat het een beetje laat is om nu in actie te komen?’ Hij lachte

Ik keek hem recht aan en voelde hoe mijn angst wegstroomde. Hij hield het pistool op me gericht, maar het deed me niets meer. Als ik zou sterven, dan zou ik sterven. Ik zou altijd blijven vechten.

Ik zette snel een stap naar voren en haalde uit, maar hij greep mijn vuist vast en draaide mijn arm om. Ik schreeuwde het uit toen ik voelde hoe mijn schouder van zijn plaats schoot. Hij merkte het ook, en grijnsde misselijkmakend. Ik hijgde van de pijn en zette mijn tanden op elkaar om stil te blijven, maar hij draaide mijn arm steeds verder door tot ik niet anders kon dan schreeuwen terwijl mijn zicht langzaamaan zwart werd. De tranen stroomden over mijn wangen toen hij een stap naar voren deed en het pistool op mijn voorhoofd zette.